|
Zes ondersteunende principes voor ouders van hooggevoelige kinderen.
Door Sylvia van Zoeren.
De
grootste opdracht voor ouders is het veilig stellen van hun kind. De meesten
doen dat dan ook naar eer en geweten. Ze zorgen voor de beste school, de beste
voeding, goede huisvesting, kwaliteitstijd en liefde en bevestiging. Het
multidimensionele kind begrijpen kan helpen bij deze opdracht. In dit artikel
een aantal principes die je kunnen helpen je kind weerbaar te maken en veilig
op te laten groeien.
Elk kind
is een wezen dat alles in zich heeft dat het nodig heeft en dat tot bloei kan
komen als het op de juiste manier wordt begeleid en ondersteund. In die
blauwdruk van het kind zitten alle aspecten die in het licht zullen worden
gebracht als de tijd er rijp voor is. Ouders kunnen bang zijn om de verkeerde
keuzes te maken, bijvoorbeeld in hun schoolkeuze of opvoedingstijl. Ze wringen
zich dan in allerlei bochten, bang om hun kind te kort te doen, en zijn
vervolgens niet meer zichzelf. Ze doen dan te veel hun best. Ze laten dingen
niet meer lekker stromen, controle heeft de leiding genomen over hun doen en
laten. Hun bange brein weerhoudt hen ervan om soepel met de dingen die gebeuren
om te gaan en creatieve oplossingen te bedenken. Of ze geven het kind juist te
veel ruimte waardoor het zich niet goed kan begrenzen.
Denk dan
aan het eerste principe:
Kinderen hebben ook levenservaringen nodig om te groeien.
Als we te
veel willen sturen onthouden we onze kinderen hun eigen proces, en dus
onthouden we hen ervaringen die misschien wel nodig zijn om uit te groeien tot
een evenwichtige persoon.
Leer als ouder je eigen onnodige zorgelijke gedachten te herkennen. Wat maakt
dat je bezig bent een soort perfectionisme in je opvoeding te ontwikkelen? Ben
je beducht voor de mening van anderen? Denk je aan je eigen jeugd, waarin je
gebrek aan verschillende zaken hebt ondervonden? Wil je van je kind een
superkind maken of wil je je kind in alle opzichten veilig stellen en geven wat
jij hebt gemist? En wat is daarvan toch de reden? Zoek naar mogelijkheden om
jezelf ontspannen te voelen, om je onafhankelijk te voelen. Neem altijd zelf
een standpunt in over je kind, laat dat niet aan anderen over. Neem dus een
standpunt in over wat je je kind wilt leren, wat je wel en wat je niet wilt qua
gedrag, wat je verwacht van begeleiding op school etc. Een standpunt innemen
kan gezonde assertiviteit opleveren, waar je je veel prettiger bij voelt, dan
dat je een speelbal bent van de wereld om je heen.
Een standpunt kan dan ook zijn; mijn kind heeft allerlei ervaringen nodig om te
groeien. Ik kan nadien altijd praten over die ervaringen, zodat ik mijn kind
help te ordenen wat het heeft beleeft. Maar ik kan niet alles sturen en voor
zijn.
Het tweede
principe is :
Elk kind past zich aan, dus ook jouw kind.
Kinderen
zijn afhankelijk van de volwassenen om zich heen. Ze imiteren hun buitenwereld
in de eerste jaren van hun leven. Eigenlijk zijn de eerste twintig jaar van elk
leven de jaren waarin ons fundament wordt gebouwd. Later kunnen we dan stenen
in ons fundament vervangen: wat we niet meer kunnen gebruiken, of liever anders
doen kunnen we verwijderen en we kunnen dan herbouwen, een renovatie van onze
denkbeelden doormaken. Alles wat de volwassene representeert is er ook voor het
kind. Het kind is deel van onze wereld. Het scheidt zich nog lang niet af van
deze wereld, integendeel: pas in de puberjaren begint het zich bewust te
realiseren dat de eigen gedachten wel eens kunnen afwijken van die van de
ouders. Als het kind zich tot die tijd te veel heeft aangepast kan het dan
behoorlijk knallen. Al eerder heeft het kind natuurlijk de ervaring dat het
anders kan denken dan de ouders. Maar dan heeft het nog niet de mogelijkheden
zoals in de puberteit of de adolescentie om dit te verklaren, te verwoorden of
te ordenen. Jonge kinderen ervaren vooral en alle gevoelens die daarbij komen
kijken kunnen behoorlijk overspoelen. Kijk en luister dus goed naar je kind en
stem je af op de kinderwereld. Kijk of je kind een natuurlijke aanpassing volgt
of een tegennatuurlijke weg volgt. Tegennatuurlijk wil zeggen: het past zich zo
aan aan de volwassen wereld (dus ook op school) dat het zijn eigen kwaliteiten
verliest en verward raakt (of verdrietig of boos). Het kan namelijk nog niet
vertrouwen op zijn eigen weg, daar is het te klein voor. Het vertrouwt op de
volwassen om zich heen. Dat is zijn referentiekader.
Het derde
principe is:
Het kind is een holistisch ervarend wezen.
Wat is
holistisch? Elk kind leert vanaf een bepaald moment in zijn jonge leven verbindingen
te leggen van de rechterhersenhelft naar de linkerhersenhelft. Het ervaart de
wereld door middel van de zintuigen. De ervaring (rechter hersenhelft) moet
worden geordend (linker hersenhelft). Ook worden er heel veel verbindingen
gelegd in het brein die te maken hebben met allerlei andere processen, zoals
kruipen, lopen, fijne en grove motoriek etc. Als deze verbindingen worden
gelegd als het kind er nog niet aan toe is wordt er een onbewuste verbinding
gelegd die nog moet worden verfijnd en bewust moet worden gemaakt. Zo kan een
kind het beste zindelijk worden gemaakt als het er aan toe is; als het
enigszins kan begrijpen dat er een verband is tussen de lichamelijke aandrang
die het voelt en de gang naar het potje. Als wij ons kind steeds opleggen wat
wij zelf (als volwassene) kunnen, doen we het kind in dit verband te kort: we
gaan er misschien te makkelijk vanuit dat het kind het al kan. Voor ouders is
het dus van belang om ook hier goed te kijken naar hun kind: is mijn kind zich
op natuurlijke wijze aan het aanpassen of tegennatuurlijk?
Holistisch ervaren doe je door middel van de rechter hersenhelft. Alle kinderen
ervaren de wereld aanvankelijk dus alsof ze een zijn met het geheel. Ze hebben
de eerste jaren van hun leven niet de mogelijkheid om hun ervaringen te ordenen
door hun linker hersenhelft bewust te gebruiken. Hier moet de ouder dus degene
zijn die de ordening aanbrengt en rekening houdt met dit gegeven: door het kind
aan te bieden waar het aan toe is en wat het aankan, zal het kind op een
natuurlijke wijze leren (ervaringen hebben) en zich kunnen ontwikkelen op zijn
eigen wijze, in een eigen tempo en op een natuurlijk wijze zijn autonomie
ontwikkelen.
Het vierde
principe is:
Elk kind neemt multidimensioneel waar.
Uitgaande
van wat boven is beschreven, dat ons kind een holistisch ervarend wezentje is,
zullen we dit principe moeten leren kennen. Willen we ons kind werkelijk veilig
stellen, dan zullen we ons nog meer moeten afstemmen op het kind als holistisch
wezen. Als het kind een is met het grotere geheel, wat betekent dat dan
werkelijk?
Wij, als ouders of begeleiders die (nog) driedimensioneel ervaren, missen hier
veelal aansluiting bij het kind. Het kind is namelijk een multidimensioneel
ervarend kind, het vertoeft in meerdere dimensies met zijn ervaringen.
Ons bewustzijn kunnen we zien als een Jacobsladder. In onze ontwikkeling is het
zo dat we door verschillende fases gaan in ons leven en daardoor groeien we in
bewustzijn. Met die groei wordt ook onze waarneming hoger. Hooggevoelige
kinderen kunnen ons veel leren over die hogere waarneming, omdat we met deze
kinderen veel zullen en kunnen ervaren op dit vlak. Dat wil niet zeggen dat ze
al alles kunnen; ze moeten ook leren met dit gegeven om te gaan in deze wereld.
En wij als volwassenen moeten er aan wennen dat het er is en de ervaring durven
ingaan. Dat hogere bewustzijn kunnen we relateren aan hoe we waarnemen: de
meeste volwassenen nemen nog driedimensioneel waar: breedte, diepte, lengte en
hoogte. Kinderen nemen meer dimensies waar: zij nemen ook het 'voor volwassenen
ongeziene' waar. Ze vertoeven bijvoorbeeld in de vierde dimensie waar vooral
veel ervaren wordt, gevoeld dus, maar soms ook beelden worden waargenomen.
Gedachtevormen zweven door deze vierde laag die door veel volwassenen (nog)
niet bewust wordt waargenomen, maar die er wel is. Ook kunnen ze soms in nog
hogere lagen waarnemen en dan kunnen ze bijvoorbeeld engelen of lichtwezens
waarnemen. Omdat dit er voor de volwassene (nog) niet is doen we ons kind
eigenlijk te kort, we ontkennen deze vorm van waarnemen namelijk. Het kind
raakt in verwarring, want wat het waarneemt wordt niet gekend door de opvoeders
en wat moet het kind er dan mee? Het scheidt zich vervolgens af van de
waarneming, raakt verkrampt. Er kunnen angsten ontstaan. De dominante
(volwassen) linkerhersenhelft heeft het dan overgenomen van het
multidimensionele kind. Ouders zullen dus een standpunt hierover moeten gaan
innemen. Dan helpen ze hun kind het best.
Als we het
vierde principe kennen komen we als vanzelf op het volgend principe uit (het
vijfde principe):
Elk kind resoneert met zijn omgeving.
Als
holistisch ervarend wezen is het kind een met het geheel en resoneert het met
het geheel. Resonantie ontstaat als trillingen elkaar ontmoeten. Als het kind
in een onrustige omgeving verblijft zal het meegaan in die onrust omdat het
zelf nog niet de mogelijkheden heeft zichzelf veilig te stellen in deze
omgeving.
Alles trilt. We leven in energie. Energie trilt. Alle vormen zijn opgebouwd uit
dezelfde bouwstenen: energie. Elk deeltje is verbonden met andere deeltjes.
Elke vorm heeft een aura. Sommige vormen zijn dermate verdicht dat de aura
bijna niet kan worden waargenomen. We leven tevens in primaire energiestromen.
De aarde- energie stroomt naar de kosmos en de kosmische energieën stromen naar
de aarde. Alles is in een perfect evenwicht zou je kunnen zeggen, maar wel
voortdurend in beweging. Als we onze eigen vorm (lichaam) zouden kunnen zien
als verdichte energie, dan zou het meer voor de hand liggen om ons weer te
verbinden met die primaire energieën en in de beweging mee te gaan.
Alle mensen hebben een aura, een energieveld waarin onze gedachten,
gevoelens en lichamelijke gesteldheid zich weerspiegelen. Als onze aura trilt
dan kunnen we ons voorstellen dat we onze omgeving beïnvloeden met deze
trilling. Negatieve emoties bijvoorbeeld trillen zwaar, positieve licht. Als we
ziek zijn zal ons kind daar verbinding mee voelen, ziekte trilt ook anders. Als
we druk zijn geweest trilt dat door in onze aura. Als we moe zijn zenden we dat
uit naar ons kind. Als we iets voelen en het niet delen met het kind, kan het
kind ook verward raken: het ervaart iets, maar het wordt niet bevestigd door de
ouder. Het kind kan dan allerlei magische gedachten krijgen over zijn eigen rol
in het geheel: doe ik het wel goed? Of het ervaart dat het dubbele boodschappen
ontvangt; tegenover hem zit een uiterlijk rustige ouder, maar van binnen woedt
het. En juist dat laatste is wat het kind ook waarneemt en verward maakt.
Het zesde
principe is:
Elk kind ordent de wereld door middel van zijn zintuigen en kan overprikkeld
raken.
Elk
zintuig (ogen, oren, huid, smaak/geur, en de psychische zintuigen zoals de
chakra's) ordent voor ons onze ervaringen, maar de prikkels die door het
zenuwstelsel worden doorgegeven aan het brein moeten nog wel worden verwerkt.
En daar zit hem de crux. Als er (te) veel wordt waargenomen omdat dat vooral
onbewust (dus bij kinderen) gebeurt, moet er veel worden verwerkt. Als hierbij
het cognitieve brein niet wordt gebruikt (linker- en rechterhersenhelft),
hetgeen jonge kinderen nog niet voldoende kunnen, dan is de kans zeer groot dat
het limbisch systeem aan het werk gaat, waardoor de angst- en
agressieregulering niet meer plaats vindt, maar vooral vanuit instinctieve
reacties wordt gereageerd. Het autonome zenuwstelsel wordt getriggerd: het
sympathische deel zwengelt allerlei processen in het lichaam aan, er wordt
cortisol en adrenaline aangemaakt, het bloedsuiker wordt verhoogd, de
breinactiviteit neemt toe en het lichaam gaat alle waarnemingen vertalen naar
gevoelens. Bij kinderen kun je deze stressreactie waarnemen omdat ze
zweethanden hebben, of verkrampen (schouders en rug). Ze kunnen beweeglijk
worden of woedeaanvallen krijgen. Om dit tegen te gaan moeten de prikkels
worden weggenomen. Het andere deel: de parasympaticus neemt de zaak dan over en
kalmeert het lijf weer.
Het kind moet uiteraard leren omgaan met overprikkeling (de ouder eigenlijk
ook) en leren begrijpen wanneer de overprikkeling begint: dat kan door een
gebeurtenis zijn, door drukte om het kind heen, door bepaalde gedachten,
angstige voorstellingen etc. Maar het is in het geval van het jonge kind, de
ouder of de onderwijzer die moet signaleren wanneer dat begint en die de
belevenissen zal moeten ordenen voor het kind. In een wereld die steeds meer
prikkels prijsgeeft moeten we ons als ouder en onderwijzer ook steeds weer
opnieuw afvragen wat wel en niet geschikt is voor het jonge kind (denk hierbij
ook aan de tv en pc) en zullen wij de afweging moeten maken wat wel en niet overprikkeling
bij het kind veroorzaakt. Het lichaam is een kwetsbaar omhulsel dat hiermee kan
worden beschermd. We zullen het kind dan ook moeten helpen veel terug te
brengen naar weinig. Aangezien het zelf nog niet de beste afwegingen kan maken
moeten wij dit voor hen doen.
Veel moed
en wijsheid
Sylvia van
Zoeren
|
|
|